Leerlingenzorg
Omgaan met verschillen
Kinderen ontwikkelen zich van nature heel verschillend. Op onze school stimuleren we de kinderen en dagen hen uit om steeds nieuwe dingen te ontdekken. Als de ontwikkeling minder vanzelfsprekend is, bieden we hulp. Wie moeite heeft met een bepaald onderdeel krijgt extra hulp van de leerkracht. Wie goed kan leren krijgt extra uitdagende opdrachten.
De vakken taal, rekenen en lezen zijn de basisvaardigheden van ons onderwijs. Zij vormen de basis voor de verdere ontwikkeling Daarom ligt de nadruk op deze vakken.
Als het niet goed gaat met uw kind, is het allereerst zaak dat u samen met de groepsleerkracht nagaat wat de werkelijke problemen zijn. Het kan zijn dat de oorzaken hiervan zodanig zijn dat de groepsleerkracht zelf aan de slag kan gaan om te proberen het probleem op te lossen. Vaak lukt dat ook, zodat uw kind daarna weer met de groep mee kan doen. Jammer genoeg lukt dat niet altijd, maar we doen dat in ons vermogen ligt. Wij gaan dan niet bij de pakken neerzitten, maar zetten ons systeem van zorgverbreding in werking. Dat gaat zo: de groepsleerkracht die het probleem heeft opgemerkt (gesignaleerd), neemt contact op met de interne begeleider.
Hij bespreekt het probleem eerst met de groepsleerkracht. Deze probeert het probleem zo duidelijk mogelijk te omschrijven en aan te geven op welke gebieden de problemen zich voordoen en welke extra hulp er in de groep al geboden is. De aldus verzamelde gegevens worden vervolgens met het team besproken in een zogenaamde leerlingbespreking. Er kan worden voorgesteld dat de interne begeleider of de remedial teacher met behulp van observaties en/of uitgebreidere toetsen er achter probeert te komen wat de oorzaken zijn van de geconstateerde problemen en welke hulp er gegeven kan worden. Soms wordt er overleg gepleegd met de schoolarts, logopedist(e), maatschappelijk werk(st)er enz. In ieder geval wordt het probleem door de interne begeleider en de ambulant begeleider van de SBO school en een afgevaardigde van de schoolbegeleidingsdienst (CED) in het zgn. zorgteam besproken. Zo wordt er samen een besluit genomen t.a.v. de mogelijkheden om het probleem op te lossen. In de meeste gevallen betekent dit dat de groepsleerkracht met de interne begeleider een handelingsplan opstelt.
Eenvoudige hulp wordt doorgaans zonder handelingsplan gelijk gestart in de groep.
In het handelingsplan wordt aangegeven op welk gebied de hulp zal worden verleend, welke hulpprogramma’s zullen worden gebruikt, wie de hulp zal geven, wanneer de hulp zal worden gegeven en hoe lang het waarschijnlijk zal duren.
Soms voert de groepsleerkracht het handelingsplan uit, soms is dat de remedial teacher in een aparte ruimte, die we orthotheek noemen. Eigenlijk is dit een soort bibliotheek, waarin veel extra leermaterialen te vinden zijn, zoals hulpmiddelen bij het aanleren van de basisvaardigheden, speciale lesprogramma’s, extra oefenmaterialen enz.
Als er op een bepaald ogenblik enkele kinderen zijn die dezelfde hulp nodig hebben, dan wordt er een hulpgroepje gevormd.
Regelmatig wordt bekeken of de geboden hulp tot resultaat heeft geleid.
Het kan zijn dat het probleem dieper ligt en de oorzaken van de leer- en/of gedragsproblemen niet zo gemakkelijk te achterhalen zijn. In zo’n geval wordt er op voorstel van het zorgteam van de school advies gevraagd aan de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL).
Extra zorg voor kinderen met problemen
De ‘zorgkinderen’ krijgen, na onderzoek door de school en/of schoolbegeleidingsdienst, extra hulp, die wordt beschreven in een handelingsplan. Regelmatig wordt bekeken of het nog goed gaat met het betreffende kind en of de geboden hulp ook tot resultaten leidt.
Centraal zijn bij ons op school een aantal gegevens van alle leerlingen opgeslagen.
Het gaat hierbij om de gegevens, die de ouders leveren bij inschrijving van hun kind. Een aantal van deze gegevens zijn op een leerlingenlijst in de computer ingevoerd en dienen soms doorgegeven te worden aan gemeente en/of rijk. Dit betreft alleen gegevens, die volgens de Wet Bescherming Persoongegevens mogen worden doorgegeven.
Elke leerkracht heeft ook een groepsmap met observatierapporten, rapportages en groepsoverzichten van toetsresultaten. Deze map gaat aan het einde van het cursusjaar mee naar de volgende groep. Daarnaast is er nog een klassenmap met de cijfers/gegevens van behaalde resultaten, behandelde leerstof en de registratie van absenten.
Voor ‘zorgkinderen’ houden we ook een leerling dossier bij. Daarin bevinden zich onder meer: verslagen van de bespreking van het kind door het team, van oudergesprekken, van handelingsplannen, speciale onderzoeken. Dit dossier is vertrouwelijk en wordt door de directie bewaard in een gesloten kast. U hebt als ouder het recht om het in te zien na een afspraak met de directie.
Kinderen, die de school verlaten, krijgen een onderwijskundig rapport mee. Daarin staat volgens welke methoden er is gewerkt en hoe ver het kind is gevorderd. Het onderwijskundig rapport wordt meegegeven aan de ouders met de bedoeling dat zij het ook overhandigen aan de groepsleerkracht van de nieuwe school.
De PCL (Permanente Commissie Leerlingenzorg)
De PCL heeft de wettelijke taak om op aanvraag van de ouders te bepalen of plaatsing van een leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is: de PCL beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot de speciale school voor basisonderwijs.
Een beslissing over de toelaatbaarheid is niet hetzelfde als een beslissing over de toelating. Het bestuur van de speciale school voor basisonderwijs neemt de beslissing over de toelating. Dit bestuur kan een leerling echter uitsluitend toelaten als de PCL reeds heeft uitgesproken dat de leerling toelaatbaar is.
De PCL beoordeelt de toelaatbaarheid aan de hand van drie hoofdaspecten, te weten:
- Kindkenmerken
- Procedurele zorgvuldigheid
- Handelingsverlegenheid van de basisschool
De PCL kan op basis van de beschikbare gegevens tot één van de volgende conclusies komen:
1. De leerling wordt toelaatbaar geacht tot een speciale school voor basisonderwijs
2. De leerling is niet toelaatbaar tot een speciale school voor basisonderwijs en kan met de nodige begeleiding op de eigen basisschool blijven
3. Advies tot plaatsing van de leerling op een andere basisschool.
4. Advies om de leerling te plaatsen in een speciale onderwijsvoorziening of hulpverleningsvoorziening binnen en/of buiten het samenwerkingsverband
De PCL bestaat uit de volgende vertegenwoordigers:
- één functionaris vanuit het basisonderwijs (voorzitter)
- één functionaris van elk van de twee onderwijsbegeleidingsdiensten
- één functionaris vanuit de school voor speciaal basisonderwijs (secretaris)
Deze functies kunnen -om pragmatische redenen- op afroep door wisselende personen ingevuld worden: jeugdarts, schoolarts, logopedist, schoolmaatschappelijk werkster, eventuele externe ortho(pedagoog), psycholoog, vertegenwoordigers vanuit basisonderwijs.
De PCL wordt ondersteund door een administratieve kracht vanuit het Samenwerkingsverband.
Adres: PCL SWV Rivierengebied Midden Nederland (41.02)
Hoefslag 6
4205 NK GORINCHEM
Beleid LGF(Leerling Gebonden Financiering), de Rugzak
Niet voor alle kinderen is de weg op de basisschool even makkelijk te gaan. Sommige kinderen blijken moeite te hebben met leren of blijken problemen te hebben zich aangepast te gedragen. De laatste tien jaren werken de gewone basisscholen eraan zoveel mogelijk kinderen op te kunnen vangen. De eerste stap in die ontwikkeling heet Weer Samen Naar School en nu is er weer een nieuw project dat populair gezegd De Rugzak wordt genoemd.
Eenvoudig gezegd komt dat er op neer dat ouders van een kind met een handicap zich met hun kind kunnen melden bij een gewone basisschool om te vragen of het kind die gewone basisschool mag bezoeken. De opname van zo’n kind vraagt het een en ander van de school. Het kind met die handicap heeft echter een rugzakje bij zich met daarin extra geld om op school die extra hulp te kunnen financieren. In het onderstaande geven we onze visie op het rugzakje weer.
De spanning
Het aanmelden van een kind met een rugzakje zorgt voor een spanningsveld op de school. Aan de ene kant vinden we dat ieder kind evenveel waard is als uniek schepsel van de Heere God en eigenlijk van harte welkom is bij ons.
Tevens is het voor een kind met een handicap waardevol om met buurtgenoten naar school te kunnen. Voor de kinderen zonder duidelijke handicap kan het omgaan met kinderen met een handicap een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van gevoelens van gelijkwaardigheid, acceptatie, naastenliefde, verantwoordelijkheid, dankbaarheid, enz.
Aan de andere kant zijn wij als school echter een gewone basisschool en kunnen we niet alle kinderen goed genoeg opvangen. Ook het geld in het rugzakje maakt het niet mogelijk dat we alle kinderen kunnen opnemen. Hoe graag we dat ook willen. We zullen dat van geval tot geval steeds opnieuw moeten beoordelen.
De school heeft immers ook haar beperkingen, om de eenvoudige reden dat er grenzen zijn aan de mogelijkheden in het opvangen van kinderen.
We onderscheiden de volgende grenzen:
- De identiteit van de school
- Verstoring van rust en veiligheid
- Verhouding van verzorging/behandeling en onderwijs
- Verstoring van het leerproces
- Gebrek aan opname capaciteit
- Deskundigheid binnen de schoolorganisatie
Hoe gaat het bij ons op school in zijn werk?
Als ouders een kind met een handicap hebben, kunnen ze zelf kiezen of ze hun kind aan willen melden bij een school voor speciaal onderwijs of bij een gewone basisschool. Ze moeten daarvoor hun kind laten onderzoeken bij een toelatingscommissie van een Regionaal Expertisecentrum (REC).
Als dat eenmaal gebeurd is, kunnen de ouders zich bij ons melden.
Voordat onze school overgaat tot toelating van een leerling met een REC indicatie (een rugzakje met inhoud), dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden. Een eventuele plaatsing van een dergelijke leerling in het regulier basisonderwijs mag niet de ontwikkeling van het kind en de andere kinderen schaden. Hoewel onze school het als haar taak ziet in voldoende mate tegemoet te komen aan de ontwikkelingsbehoefte van de leerling, zijn sommige kinderen beter op hun plaats in het speciaal onderwijs.
Ons motto is: Samen als het kan, apart …… als het moet.
Leerlingvolgsysteem
Onze school heeft een leerlingvolgsysteem, waarvan de (observatie)rapporten en CITO-toetsen een belangrijk onderdeel vormen. Het houdt in dat alle leerlingen regelmatig worden getoetst en/of geobserveerd om na te gaan welke kinderen, naast de normale zorg van de groepsleerkracht, nog extra zorg behoeven. Het betreft dan kinderen die op de toetsen een D of E scoren. Alle gegevens worden geregistreerd op groeps- en schoolniveau.
Verder hebben we een toetskalender waarop staat aangegeven wanneer welke toetsen worden afgenomen.
Deze kalender wordt jaarlijks geactualiseerd en aangevuld met eventueel nieuwe toetsen.
De toetsen maken deel uit van ons leerlingvolgsysteem.
Wij gebruiken tot op dit moment de volgende toetsen:
- een uitgebreide observatielijst (groep 1 en 2)
- Ordenen (groep l en 2)
- Taal voor kleuters (groep 1 en 2)
- Kleutersignalering (groep 1 en 2) Taalaspecten
- Kleutersignalering uitgebreid (groep 2), waaronder Auditieve analyse, Auditieve synthese, Letters benoemen, Kleuren benoemen
- Fonemische analysetest (groep 2)
- Herfst- en wintersignalering, waaronder Grafemen, Fonemen, Woordenlezen, Tekst lezen (groep 3)
- Woordenschat (groep 3 en 4)
- Lezen met begrip (groep 3 en 4)
- Lezen D.M.T. (drie-minuten-toets) (groep 3 t/m 5, indien nodig verder)
- Technisch Lezen A.V.I. (groep 3 t/m 6, indien noodzakelijk t/m groep 8)
- Rekenen en Wiskunde (groep 3 t/m 8)
- Spellingvaardigheid (groep 3 t/m 8)
- Taalschaal (groep 4 t/m 8)
- Leeswoordenschat (groep 5 t/m 8)
- Begrijpend Lezen (groep 5 t/m 8)
- de al genoemde methodegebonden toetsen
CITO-eindtoets In groep 8 nemen onze leerlingen deel aan de CITO-eindtoets. Deze toets is een hulpmiddel om tot een goede keuze voor een vorm van voortgezet onderwijs te komen.
Afname CITO-eindtoets bij zorgleerlingen
De CITO-eindtoets is een indicatie van kwaliteit en meet de opbrengst van 8 jaar basisonderwijs. Het samenwerkingsverband (SWV) waarbij onze school is aangesloten, houdt rekening met de mogelijkheden van zorgleerlingen. In hoeverre zorgleerlingen niet mee doen met de CITO-eindtoets hangt af van zowel de leermogelijkheden (in het algemeen een didactische achterstand van 1,5 jaar of meer) als de sociaal-emotionele ontwikkeling.
De school kan voor zorgleerlingen bij afname van de CITO-eindtoets aanpassingen treffen zoals tussentijdse instructie of meer tijd. Daarnaast biedt het SVW de mogelijkheid deel te nemen aan een vervangende eindtoets. Deze toets, de NDT (Nederlandse Differentiatie Testserie), sluit beter aan bij het niveau van het kind.
Scholen van voortgezet onderwijs accepteren deze toetsgegevens voor hun plaatsingsbeleid. Het gehele traject wordt in goed overleg met de ouders afgelegd.
De inspectie zal bij haar controle nagaan hoeveel leerlingen er niet hebben deelgenomen aan de CITO-eindtoets en welke motieven daaraan ten grondslag lagen.
Resultaten van ons onderwijs
Uitspraken doen over resultaten is altijd moeilijk. Welke resultaten ga je wel vermelden en welke niet? En de suggestie kan worden gewekt dat de resultaten iets zeggen over de kwaliteit van het gegeven onderwijs. Maar die relatie ligt niet zo eenvoudig. Dat zou iets gemakkelijker worden als precies vastgesteld zou kunnen worden wat een 4-jarige kleuter in aanleg in zijn mars heeft en wat de school eruit heeft gehaald na bijvoorbeeld 8 jaar. Iets gemakkelijker, want de school kan weinig of soms helemaal geen invloed uitoefenen op factoren als gezondheid, thuissituatie, vriendjes en vrijetijdsbesteding. Daar komt bij, dat veel zaken die wij op onze school belangrijk vinden, niet of nauwelijks objectief meetbaar zijn. Denk hierbij aan zaken die te maken hebben met vorming, houding en gewoonten.
De opvoedkundige doelen van de school zijn minstens zo belangrijk als de resultaten van de verschillende toetsen. Met deze kanttekeningen publiceren we jaarlijks in de schoolgidsbijlage enkele gegevens met betrekking tot de resultaten van ons onderwijs bestaande uit de standaardscores van de CITO-eindtoets en de uitstroomgegevens naar het voortgezet onderwijs.